![]() |
Berichtgeving > Nieuwsfeiten
Wanneer moeten schadebeperkende maatregelen worden genomen bij onteigening? De gemeente Hellendoorn heeft in het kader van de uitvoering van een bestemmingsplan centrum Nijverdal bij de Rechtbank Almelo gevorderd dat de onteigening van onder andere een horecagelegenheid vervroegd zou worden uitgesproken. De exploitant van de horecagelegenheid heeft als tussenkomende partij aan de procedure deelgenomen en heeft schadeloosstelling geëist. Deze werd door de rechtbank vastgesteld op EUR 280.000,00. Het onteigeningsvonnis werd op 14 juni 2007 in de openbare registers ingeschreven. Een door de rechtbank benoemde deskundige had hierover geadviseerd. De deskundige heeft de stagnatie- en aanloopschade gesteld op EUR 92.625,42, uitgaande van een wachtperiode van 15 tot 21 maanden en bij een gemiddeld bedrijfsresultaat over de periode 2004 tot en met 2009 van EUR 73.798,00. De rechtbank is van oordeel dat de periode 2007 tot en met 2009 niet bij de berekening betrokken dient te worden. De exploitant moest, aldus de rechtbank, langer dan de deskundige heeft voorzien wachten op een passend horecabedrijf maar hij is niet voldoende voortvarend gaan zoeken door pas in april 2007 opdracht te geven voor het zoeken van een vervangend horecabedrijf terwijl al in 2004 bekend was dat zou worden onteigend. De rechtbank stelt naar aanleiding daarvan de stagnatieschade ex aequo et bono op EUR 75.000,00. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie erop gewezen dat de rechtspraak van de Hoge Raad er in het algemeen op neerkomt dat de onteigende geen schadebeperkende maatregelen hoeft te nemen voordat het vonnis houdende vervroegde onteigening is ingeschreven in de openbare registers. “Dat wordt niet anders doordat de aanstaande onteigende al een aantal jaren bekend is met het voornemen tot onteigening.” De Hoge Raad volgt dit advies en beslist vervolgens dat indien de rechtbank meent anders te oordelen, zij daarvoor gemotiveerd moet aangeven waarom de stagnatieschade wel voor een deel voor rekening van de exploitant had moeten komen. De gegeven motivering is daarvoor onvoldoende. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak voor verdere afdoening. Peter van Gool Terug naar overzicht |


